
Rouwlien
ColumnMijn columns schrijf ik altijd met de radio aan. Met een klassiek muziekje, waar je eigenlijk aandachtig naar zou moeten luisteren. Voor mij is het achtergrondmuziek, die me inspireert. Toen ik aan deze column begon, heb ik de radio afgezet en staand een minuut stilte gehouden. Net als in een voetbalstadion, maar dan in mijn eentje. Ik hoorde alleen het kraaiende geluid van de twee waterhoentjes in de sloot naast ons huis. De natuur laat zich niet bedwingen.
Die stille minuut was mijn kleine eerbetoon aan de zo tragisch overleden cabaretière/schrijfster/columniste Paulien Cornelisse. Ik rouw om een door mij bewonderde collega-columnist, maar dan van een aanzienlijk hoger echelon. Zij is een nationale grootheid, ik slechts een regionale kletskous, die zijn best doet om Het Kontakt elke week wat extra glans te geven. Paulien deed dat drie keer in de week in de Volkskrant. Zij liet de politiek met rust. Ik niet. Want hoe zou ik dat kunnen als je bijvoorbeeld ziet wat en in en rond het Tielse stadhuis allemaal aan de hand is.
Ik kijk tegen haar op. Ze was een taalkunstenaar, soms tegendraads maar altijd vernieuwend en altijd met oog voor het detail. Jammer dat ik haar nooit heb ontmoet. Een keer heb ik de kans gehad. Ze was in 2020 een paar dagen in Tiel als eregast van het Erfgoed Festival. Ze schreef er een alleraardigst boekje over met Betuwse kersen in de hoofdrol. Haar bezoek aan Tiel is me toen even ontgaan, anders zou ik haar zeker aangeklampt hebben. Om samen te praten over het stresserige ambacht van columnist. Op een zonnig terras aan de Waal. Zij met een fruitsapje en ik met een alcoholvrij biertje. Voorzichtig zou ik haar dan een paar van mijn columns hebben voorgelezen. Wat zou ze ervan vinden?
Ik denk dat ze me met haar fascinerende ogen en kersenrode lippen aangekeken had en geruststellend had gezegd: “Ach Jan, die van jou zijn ook best aardig.” Zo was ze, iedereen in zijn waarde latend. Ik zal haar helaas nooit ontmoeten. De tijd wil het niet. Zelfs het televisiescherm is leeg zonder haar. Daar kon je de laatste tijd zien dat het niet goed met haar ging. Haar slimme hoofd wilde nog wel, maar ze zou het toch in de schoot moeten leggen. Het hoofd dat ze zo dapper camoufleerde met een petje. Het voelde alsof ik een innige collega verloor. Postuum neem ik mijn petje voor haar af.
(reageren: jbeijer@upcmail.nl)
Jan Beijer





















