
‘Knal’
ColumnColumn Jan Beijer: ‘Knal’
Drie grote wijken in Tiel werden vorige week door zo’n harde knal opgeschrikt, dat mijn trommelvliezen ervan trilden. En tegelijkertijd viel het licht uit. In de huizen zag je de kaarsjes aan gaan, de waxinelichtjes en de zaklampen. De explosie was zo hevig dat er meer aan de hand moest zijn dan alleen maar een stroomstoring. Opgejaagd door mijn aangeboren nieuwsgierigheid ging ik in het duister op onderzoek uit.
Het onheil bleek zich op loopafstand van mijn huis af te spelen. Er was een elektriciteitshuisje van binnen ontploft. Het dak van het gebouwtje zou zo lek als een zeef zijn geweest, zo beweerden buurtgenoten. Niemand wist er eigenlijk het fijne van. De website van Liander meldde dat er 2000 ‘getroffenen’ waren en dat het circa vijf uur zou duren voordat de lampen weer aanfloepten. Meer informatie was er niet. Ik blijf maar wakker tot de zaak is opgelost, dacht ik, terwijl ik met behulp van mijn juist de dag ervoor bij de Hema gekochte zaklamp door het huis schuifelde.
Dankzij de nu nog steeds brommende noodaggregaten kon ik rond half twee in de nacht een kopje thee zetten, voordat ik onder de wol kroop. De volgende dag bleef er toch iets van paniek bij me hangen. Wat zouden we meegemaakt hebben als ons echt een grote ramp was overkomen? Als er een uit de koers geraakte Poetin-drone in onze wijk was neergeploft? Ik moest er niet aan denken. Wat we wel moeten doen, is vooruit denken, zo drukt de rijksoverheid ons in een boekje op het hart. Vooruit denken met een voorraadje blikken soep en flessen water.
Maar wie helpt ons écht bij een ramp? Wat doet onze eigen gemeente? Denken onze lokale bestuurders zelf wel vooruit, wat de bescherming van hun inwoners betreft? Waar zijn we veilig, waar kunnen we schuilen? We kunnen niet allemaal in de kelders van het Tielse Ambtmanshuis gaan zitten. Of in die van het nagenoeg lege Weeshuis in Buren. Zijn er hulpposten? Voedseldepots? We weten het allemaal niet.
De burgemeesters lijken zich meer zorgen te maken over de overlast van gillende keukenmeiden op Oudejaarsdag dan om de dreiging van gierende bommen vanuit het oosten, die volgens Mark Rutte al onderweg zijn. Realistisch vooruit denken: het lijkt me niet de sterkste kant van de lokale politiek. Het gebeurt vaak achteraf. Niet voor niets hebben we hier een treffende Betuwse uitdrukking voor. ‘Achteraf kijk je een koe ik de kont.’
(reageren; jbeijer@upcmail.nl)
Jan Beijer






















