
Altena ziet geen mogelijkheden voor voortzetting kapsalon, schoonheidssalon en pedicure in huidige pand in Nieuwendijk
Nieuws 7.618 keer gelezenNieuwendijk - Het college van Altena ziet geen mogelijkheid om de kapsalon, schoonheidssalon en pedicuresalon aan de Snijderstraat 8 in Nieuwendijk alsnog toe te staan.
Volgens het college passen de activiteiten niet binnen de bestemming van het pand en en kan de situatie niet worden gelegaliseerd. Dit blijkt uit een reactie op schriftelijke vragen van Progressief Altena.
Bestemming bedrijventerrein
In het pand aan de Snijderstraat zijn een kapster, een schoonheidsspecialiste en een pedicure gevestigd. Het perceel heeft de bestemming ‘bedrijventerrein’. Persoonlijke dienstverlening valt volgens de gemeente niet binnen de toegestane categorieën bedrijven.
Dat was onder het oude bestemmingsplan al zo en is onder het huidige omgevingsplan niet anders. Een beroep op het overgangsrecht is volgens het college niet mogelijk, omdat het gebruik ook eerder al in strijd was met de bestemming.
Alleen verhuurder aangeschreven
Het college bevestigt dat alleen de verhuurder een last onder dwangsom opgelegd heeft gekregen. Volgens het college is hij als eigenaar en verhuurder degene die het strijdige gebruik mogelijk maakt en in stand houdt. De communicatie over de kwestie is steeds via hem verlopen.
In het bestuursrecht kunnen zowel eigenaar als gebruiker als overtreder worden aangemerkt. Het college koos ervoor om de verhuurder als primair verantwoordelijke aan te schrijven.
‘Geen sprake van rechteloosheid’
Progressief Altena stelde dat de onderneemsters “compleet rechteloos” zijn, omdat zij geen bezwaar konden maken. Het college deelt die opvatting niet.
Volgens het college kunnen zij als derde-belanghebbenden bezwaar of beroep instellen als zij rechtstreeks in hun belangen worden geraakt. Dat zij niet als geadresseerde zijn aangeschreven, sluit rechtsbescherming volgens het college niet uit.
Daarnaast hadden zij, nadat zij op de hoogte waren van de planologische strijdigheid, zelf contact kunnen opnemen om mogelijke oplossingen te bespreken. Van die mogelijkheid is volgens het college geen gebruik gemaakt.
Gesprek in beroepsfase
Tijdens de zitting bij de rechtbank in Breda vroeg de rechter in algemene zin of partijen nog mogelijkheden zagen om met elkaar in gesprek te gaan. Het college gaf aan dat er tussen de eerste waarschuwing en de beroepszitting meerdere jaren zijn verstreken.
Volgens het college is de beroepsfase een laat moment om alsnog een oplossingstraject te starten. Een gesprek is bedoeld om een juridisch traject te voorkomen. In dit stadium is daar volgens het college geen ruimte meer voor.
Wel is ambtelijk onderzocht of legalisatie mogelijk is. Dat blijkt niet het geval. Daarmee ontbreekt volgens het college een juridische basis om het huidige gebruik voort te zetten.
Gevolgen bij negatieve uitspraak
Als het beroep van de verhuurder wordt afgewezen, moeten de onderneemsters het pand verlaten. Het college erkent dat dit ingrijpende gevolgen kan hebben.
Tegelijk wijst het college op de beginselplicht tot handhaving bij planologische strijdigheid. Er is volgens het college sprake geweest van een ruime tijd tussen constatering, waarschuwing en het opleggen van de last onder dwangsom.
Ook is de begunstigingstermijn (de periode die een overtreder krijgt om een overtreding - zoals illegaal gebruik - ongedaan te maken, red.) meerdere malen verlengd.
Die periode had benut kunnen worden om alternatieven te onderzoeken, een aanvraag voor afwijking in te dienen of een andere locatie te zoeken, aldus het college.
Scheiding van functies
Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat verschillende soorten bedrijven op de juiste plekken gevestigd zijn. Volgens het college horen persoonlijke diensten zoals kapsalons, schoonheidssalons en pedicures thuis in winkelcentra of soortgelijke locaties, omdat ze daar bijdragen aan de levendigheid en het voorzieningenniveau.
Als dit soort bedrijven op een bedrijventerrein zouden worden toegestaan, kan dat volgens het college leiden tot leegstand in winkelcentra en tot verdringing van bedrijven die juist op een bedrijventerrein horen te zitten.
Het college ziet daarom geen reden om anders naar deze situatie te kijken. Wel staat het open voor overleg, maar niet over het voortzetten van het huidige gebruik van het pand.






















