
Vanmorgen lagen ze daar.
De stempassen. Gewoon op de mat, tussen een pakketje en een verdwaalde rekening.
Ik bleef er even naar kijken.
Nu is het echt...
Een paar maanden geleden meldde ik me aan om me verkiesbaar te stellen. Niet omdat ik dacht: laat ik eens wat roepen. Maar juist omdat er al zoveel geroepen wordt.
Als ik gesprekken volg, online of aan de keukentafel, hoor ik vaak wat er allemaal niet deugt. Wat er fout gaat. Wie er schuld heeft. Het volume staat hoog. De toon ook. En eerlijk? Dat vermoeit me.
Ik geloof meer in bouwen dan in benadrukken wat ontbreekt.
Natuurlijk zie ik ook wat beter kan. Genoeg zelfs. Maar mijn eerste gedachte is zelden: dit gaat mis. Vaker denk ik: hoe kan het wél? Wat kunnen we doen? Wie kunnen we verbinden? Waar zit ruimte?
Misschien komt het doordat ik werk met kinderen. Zij zijn meester in opnieuw beginnen. Een toren valt om — ze bouwen hem opnieuw. Iemand valt buiten het spel — ze schuiven op en maken plek. Ze blijven niet hangen in wat stuk is, ze zoeken naar wat mogelijk is.
Dat is geen naïviteit.
Dat is veerkracht.
Voordat ik me aanmeldde, heb ik er thuis goed over nagedacht. Met elkaar bespraken we de tijd, de agenda’s, de drukte. Kan dit? Willen we dit? We kwamen samen tot de conclusie: ja. Het is het waard om bij te dragen aan iets dat groter is dan onszelf, een voorbeeld voor mijn kinderen zijn.
Ik wil een stem zijn die vooruitkijkt. Die plannen maakt. Die verbindt. Niet om harder te zijn, maar om samen verder te komen.
Toen ik de stempas oppakte, voelde het niet als strijd. Het voelde als verantwoordelijkheid. En als vertrouwen. Ik doe mee omdat ik geloof dat het sterker wordt wanneer we ons richten op wat mogelijk is. En soms begint dat gewoon met een envelop op de mat...