
Aviolanda bouwde 70 jaar geleden al drones
Pieter van Wijngaarden
Papendrecht - Terwijl heel Nederland in de ban was van allerlei bijzondere ontwikkelingen en uitvindingen, zoals de eerste proefvlucht met de Fokker ‘Friendship’, het Dafje, kartonnen melkpak, de eerste aflevering van Swiebertje en de eerste file in Nederland bij Ouderijn, werd in 1955 bij Aviolanda in Papendrecht de eerste drone, een onbemand vliegtuig, ontwikkeld. Dit toestel werd aangeduid als AT-21 (AT: Automatic Target).
De drone is een stuk techniek waar je tegenwoordig niet meer omheen kunt. In de winkel worden ze verkocht als speelgoed, op de Olympische Spelen als vliegende filmcamera en bij defensie groeide het fenomeen, de laatste jaren uit tot een onmisbaar luchtwapen. Bij Aviolanda aan de Veerdam in Papendrecht liep men in de vijftiger jaren voorop in de ontwikkeling van drones.
De Papendrechtse drones waren een uitvinding van ingenieur J.A. de Vries. Het was een onbemand vliegtuigje met een lengte van ongeveer zes meter, dat voortgedreven werd door een ramjetmotor die een enorme herrie maakte. Aviolanda kreeg van het ministerie van Verkeer en Waterstaat een begroting toegewezen van één miljoen gulden ontwikkelingskosten. Aviolanda was bereid om daaraan drie ton bij te dragen. Voor het inbouwen van allerlei geheime (Philips)-apparatuur werd tweehonderdduizend gulden gereserveerd. Er werden drie ingenieurs voor het project aangetrokken, die kwamen te werken in de nieuwe Wetenschappelijke Afdeling op de Veerdam. De ingenieurs kregen een nieuwe woning aangeboden in Papendrecht, in een rijtje systeemwoningen.
De vormgeving van het geel geschilderde toestel had veel weg van de V.1 uit de Tweede Wereldoorlog. Er werd tijdens dit project nauw samengewerkt met het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en het Nationaal Luchtvaartlaboratorium. Het eerste exemplaar kreeg veel aandacht op de E55-Energie-beurs, die gehouden werd van 18 mei tot 3 september 1955 in Rotterdam. Een ‘drone’ in Rotterdam, daar had het publiek nog nooit van gehoord.
Men kon de AT-21 gebruiken voor schietoefeningen door jachtvliegtuigen; de treffers werden geregistreerd door een zogenaamde ‘hitrecorder’ die de gegevens radiografisch doorzond aan de piloot op de grond. Er waren nog veel meer mogelijkheden met de AT-21: luchtfotografie, bewapende luchtaanvallen op gronddoelen en postvluchten. Bij de constructie van de luidruchtige vliegmachine werd op ruime schaal gebruik gemaakt van kunststoffen volgens een nieuw procedé. De motor was zeer eenvoudig en bevatte geen bewegende delen. Het principe berustte op een pulserende stuwstraalbuis met een vermogen van 45 tot 85 kilogram, een ontwerp uit de Franse SNECMA-fabriek, onder licentie vervaardigd in Papendrecht. De motor draaide op tal van soorten brandstoffen, zodat men niet afhankelijk was van dure vliegtuigbrandstof. Het voordeligst was de gewone huisbrand petroleum. Gestart werd vanaf een zware metalen mobiele startbaan die special hiervoor vervaardigd was bij scheepswerf De Schelde in Vlissingen. Er kon verticaal worden gelanceerd of voor een langere vlucht, vanuit een horizontale positie. De bediening vond plaats vanuit een mobiele cockpit op de grond.
Vanaf woensdag 5 oktober 1957 vonden de eerste proefvluchten plaats vanaf het lanceercentrum in Petten. Na de eerste proefvlucht daalde het toestel met behulp van een parachute rustig op het water van de Noordzee. Het werd geborgen door een ander Aviolanda-product: de NHI kolibrie helikopter. Ondanks de eerste indrukken bleek het prototype 001 zodanig beschadigd te zijn dat het moest worden afgeschreven. Besloten werd geen enkele andere proefvlucht meer te maken voordat er een aparte opdracht hiervoor werd verstrekt. In mei 1958 werd deze aanvullende opdracht ontvangen en kon er wederom een AT-21 gelanceerd worden.
Totaal werden er vijf prototypen drones gebouwd en toen was het geld op, te weten 1,8 miljoen gulden.
Omdat het begrip ‘drone’ haar tijd ver vooruit was, werd het project gestopt. De ontwikkeling en bouw van de drones was in Nederland veel te duur uitgevallen. De Amerikanen, die ook niet stil hadden gezeten, verkochten deze geavanceerde stukjes luchtvaarttechniek voor de helft van de prijs. De regering gaf toen meteen opdracht er 24 voor de Nederlandse Luchtmacht te bouwen. Er is weinig overgebleven van de AT-21. In Papendrecht is nog wel een zogenaamd windtunnel model te bewonderen.