• Eric Borrias speelt de voorstelling met minimale middelen: enkel een koffer met daarin een pop (een muis) en verder een krukje en een houten fruitkistje.
• Eric Borrias speelt de voorstelling met minimale middelen: enkel een koffer met daarin een pop (een muis) en verder een krukje en een houten fruitkistje. Foto: Farzad Arriannejad

Voorstelling Duits-joodse kinderen in kamp Vught

'Mijn pop huilt 's nachts'

Eric Borrias vertelt op zaterdag 4 mei, na de dodenherdenking, in dorpshuis De Oude School in Zoelen het verhaal van twee Duits-joodse kinderen in kamp Vught. George Levy en zijn jongere zusje Ursula wisten in 1943 op wonderbaarlijke wijze te ontkomen aan het kindertransport naar vernietigingskamp Sobibor.

Voor de bekende verhalenverteller Eric Borrias uit Zoelen vormde het de inspiratie voor zijn voorstelling ‘Mijn pop huilt ‘s nachts’. “Het is het verhaal van een broer en z’n zusje die elkaar door de oorlog hebben gesleept. Ze hebben niemand meer, behalve elkaar en de pop van Ursula. De pop die troost als je huilt, de pop die ruikt naar thuis, veilig. De pop die altijd bij je blijft.”
George en Ursula beleven een betrekkelijk zorgeloze kindertijd in Nazi-Duitsland, totdat hun vader enkele weken na de Kristallnacht overlijdt. Moeder Levy stuurt de kinderen in 1939 naar het ‘veilige’ Nederland.
Ze belanden via een vluchtelingenkamp in het Rotterdamse Heiplaat in een katholiek internaat in Eersel. Daar worden ze zelfs gedoopt. Uiteindelijk komen ze terecht in kamp Vught, met veel andere joodse kinderen. Aan de Duitsers vertelde Jozef van Mackelenbergh van het internaat het leugentje dat George en Ursula eigenlijk halfjoods zijn en hun vader katholiek is en in Amerika woont. Waarschijnlijk om die reden ontsnappen ze in 1943 aan het kindertransport naar Sobibor.
De kinderen worden later alsnog via Westerbork afgevoerd naar concentratiekamp Bergen Belsen. George en Ursula zijn in april 1945 twee van de 6800 gevangen die bij het naderen van de Britse bevrijders worden weggevoerd uit het kamp. Ze zwerven dertien dagen, zonder eten en drinken, rond in een goederentrein op het verwoeste Duitse sporennetwerk. Twee weken voor 't eind van de oorlog worden de gevangenen bevrijd.
George en Ursula verhuizen na de oorlog alsnog naar Amerika. Borrias: “Het wrange is dat ze elkaar in de oorlog door dik en dun steunden, maar dat ze elkaar na de oorlog niet konden luchten of zien.” In 2013 vertellen ze hun verhaal in een uitzending van Andere Tijden. Ze zijn ook aanwezig bij een herdenkingsbijeenkomst van kamp Vught, in 2018. Ursula overlijdt in 2020.
Voor Eric Borrias bood het verhaal van George en Ursula voldoende aanknopingspunten voor een aangrijpende theatervoorstelling. “Ik heb het verhaal gemaakt op verzoek van Nationaal Monument Kamp Vught. Het gaat eigenlijk over dilemma’s van mensen in oorlogstijd. Ook kinderen moeten keuzes maken. Soms heel essentiële keuzes, die ze op die leeftijd eigenlijk helemaal niet zouden moeten maken.”
Het geldt zowel voor George als voor Ursula. “Op de avond voor het kindertransport naar Sobibor was er een meisje dat onophoudelijk bleef huilen. Om haar te troosten vroeg een begeleider aan Ursula of ze het popje aan het kind mocht meegeven. Maar Ursula gaf het popje niet: ‘Dit is het enige wat ik nog heb van thuis.”
Mevrouw Florence zorgt in kamp Vught voor de kinderen, maar ze staat in de zomer van 1943 wel op de lijst om afgevoerd te worden. Ze vroeg steun van George: “Zeg dat ik voor de kinderen zorg, want dan zal duidelijk zijn dat ik onmisbaar ben. George stond voor een enorm dilemma: ‘als ik ‘ja’ zeg, hoeft ze misschien niet mee. Maar als ik ‘nee’ zeg, dan moet ik misschien zelf mee’. Uiteindelijk koos hij voor ‘nee’.

Minimale middelen

Eric Borrias speelt de voorstelling met minimale middelen: enkel een koffer met daarin een pop (een muis) en verder een krukje en een houten fruitkistje. "Ik beeldhouw in de fantasie”, zegt hij. Aangrijpend is de scène in de voorstelling waar George in een barak in het kamp voor z'n zusje het liedje ‘Onder moeders paraplu' zingt.
Borrias laat veel over aan de verbeeldingskracht van het publiek. "Ze moeten zelf de barak ontdekken, zelf het stinkende pisstro ruiken. Het houten kistje gebruik ik om op te zitten. Maar vervolgens zet ik hem op de grond met de kruk er bovenop. Met het licht erop is het opeens een wachttoren. Als de kinderen op transport gaan, zet ik alleen het kratje op de kruk. Het publiek ziet alleen de handen en voelt de beklemming. Het is dan doodstil in de zaal.'

De voorstelling is ook geschikt voor kinderen vanaf 10 jaar.