
Hoe de centrale keuken honderden mensen in Alblasserwaardse dorpen redde van de honger in de Hongerwinter
Nieuws 80 jaar VrijheidAlblasserwaard - De Hongerwinter van 1944-1945 ging niet aan het platteland van de Alblasserwaard voorbij. Meer dan 200 gezinnen in Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf, Brandwijk, Oud-Alblas, Streefkerk en Wijngaarden overleefden de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog dankzij de voedselvoorziening via een inmiddels bijna vergeten fenomeen: de centrale keuken.
Vermagerde stedelingen die in de polders bij boerderijen aankloppen, dat is hét beeld van de Hongerwinter. Maar ook in de dorpen hadden veel gezinnen te weinig eten om op tafel te zetten. Klaas Aantjes uit Bleskensgraaf, vader van de latere veelbesproken AR-politicus Willem Aantjes, nam in januari 1945 het initiatief om te voorkomen dat er echt honger geleden zou gaan worden.
“Samen met inwoners van de dorpen in de omgeving zette hij een eerste bijeenkomst op”, vertelt Jan Boele, voorzitter van de Historische Vereniging Binnenwaard. De inwoner van Bleskensgraaf deed onderzoek naar de centrale keuken. “Er was wat weerstand, maar het grote voordeel dat er voedselzekerheid zou zijn, gaf de doorslag. Het resultaat was de centrale keuken. De eerste voedselverschaffingen waren op 26 februari. De centrale keuken heeft gefunctioneerd tot 30 juni. In de eerste maanden na de bevrijding was er ook nog niet voldoende voedsel.”
2700 liter soep per week
In een paar weken tijd werd een complete onderneming op poten gezet, inclusief logistiek, betaalde medewerkers en bijvoorbeeld een schrapmachine voor aardappels en wortels. De leiding was in handen van Adam de Jong, slager in Bleskensgraaf.
Op de plek waar vele jaren de slagerij van Bouter was gevestigd, aan de Dorpsstraat, maakte hij samen met twee tot zeven medewerkers dagelijks grote hoeveelheden soep. “Gemiddeld ging het om 2700 liter per week. De keuken zat in de kelders van de slagerij. De tegels kun je nog steeds zien zitten. Onlangs kreeg onze vereniging ook de grote houten roerspaan in bezit, waarmee Adam de Jong in de soep roerde. Dan wordt dit verhaal opeens heel tastbaar.”
Aanbod was beperkt
Soep was het enige dat op het menu stond. De ingrediënten werden in de streek ingekocht. Vlees, wortelen, bloemkool, vet, zout, veel erwten en erwtenmeel, selderie, uien, snijbonen, knollen, aardappelmeel en aardappelen en prei, dat waren de ingrediënten. Dat het aanbod beperkt was, blijkt uit een rekening van 10 maart 1945. “Er werden toen 1100 kilo suikerbieten afgerekend, dus blijkbaar was er niets anders meer verkrijgbaar. De nood was hoog.”
De centrale keuken speelde een cruciale rol in het overleven van een groot deel van de bevolking van de zes deelnemende dorpen. Maar liefst 210 gezinnen namen de soep af, dagelijks ging het om 950 volwassen en kinderen die dankzij het initiatief van Klaas Aantjes een warme maaltijd op tafel kregen. “Het is niet meer duidelijk hoe men bepaalde wie wel en wie niet in aanmerking kwam”, vult Jan Boele aan.
Vooral lekke banden
Het moet een bijzonder gezicht zijn geweest: elke dag gingen grote ketels met soep per bakfiets vanuit Bleskensgraaf naar Brandwijk, Molenaarsgraaf, Wijngaarden, Streefkerk en Oud-Alblas. “De uitdeelposten waren gevestigd in de voormalige gemeentehuizen. In de archieven heb ik teruggevonden dat er in ieder geval in Oud-Alblas een voorziening was om de soep weer op te warmen. En er waren vele rekeningen voor reparaties van de bakfietsen. Vooral lekke banden: die waren destijds door de schaarste van zeer slechte kwaliteit.”
Geurt Mouthaan
Redacteur/fotograaf van Het Kontakt-Alblasserwaard en Het Kontakt-Klaroen.nl. Daarnaast actief voor de magazines van Kontakt Mediapartners.






















